Nieuws

Nieuws

Aftrek voorbelasting

Een ondernemer mag de omzetbelasting, die hem door andere ondernemers voor leveringen en diensten in rekening is gebracht, in aftrek brengen voor zover hij de afgenomen goederen en diensten voor belaste handelingen gebruikt. De ondernemer, die van het recht op aftrek gebruik wil maken, moet aannemelijk kunnen maken dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan. Een van deze voorwaarden is een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de goederen en diensten en het verrichten van prestaties onder bezwarende titel die niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

De Hoge Raad maakt duidelijk dat deze voorwaarde twee criteria omvat, namelijk het gebruik voor een levering of dienstverrichting tegen een vergoeding en het belast zijn met omzetbelasting van deze prestatie. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft uit een oud arrest van de Hoge Raad en uit een arrest van het Hof van Justitie EU afgeleid dat een doorbelasting van kosten in beginsel een economische activiteit vormt die aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen. De Hoge Raad is van oordeel dat deze opvatting niet aan de bedoelde arresten kan worden ontleend.

Voor de vaststelling dat een handeling onder bezwarende titel wordt verricht is niet alleen nodig dat een betaling wordt gedaan, maar ook dat tegenover deze betaling een handelen als ondernemer kan worden bepaald. Het hof merkte de doorbelasting van kosten aan als een handeling onder bezwarende titel en kende op grond daarvan het recht op aftrek van voorbelasting toe. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Den Bosch. De belanghebbende zal in de voortgezette procedure moeten bewijzen dat sprake is van een handelen onder bezwarende titel om recht op aftrek van voorbelasting te hebben.

Aftrek dieetkosten

De kosten van het volgen van een dieet op voorschrift van een arts zijn aftrekbaar. De aftrek betreft forfaitaire bedragen, afhankelijk van het gevolgde dieet.

In een procedure voor Hof Amsterdam claimde iemand aftrek voor een tweetal diëten. Het ging om de combinatie van een koemelkeiwitvrij dieet en een energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt dieet. De totale forfaitaire aftrek bedroeg in het jaar 2014 € 1.300. De Belastingdienst accepteerde slechts de aftrek voor een van de diëten tot een bedrag van € 200. De belanghebbende voerde meerdere dieetverklaringen van huisartsen aan als bewijs voor het recht op aftrek. Het betrof een verklaring uit 2005 waarin stond dat een dieet levenslang moest worden gevolgd, een dieetbevestiging uit 2014 en een bevestiging uit 2016. Met deze verklaringen vond het hof voldoende aannemelijk dat de belanghebbende in 2014 op doktersvoorschrift de combinatie van twee diëten diende te volgen. De belanghebbende had recht op aftrek van het gehele bedrag van € 1.300.

Verlies onzakelijke lening

Een geldlening, die een aanmerkelijkbelanghouder of zijn partner aan de vennootschap verstrekt, valt onder de terbeschikkingstellingsregeling van de Wet IB 2001. Wanneer een dergelijke lening als onzakelijk wordt aangemerkt, heeft dat tot gevolg dat een afwaarderingsverlies niet in aftrek op het inkomen kan worden gebracht. De aanmerkelijkbelanghouder, die een aan zijn vennootschap verstrekte onzakelijke geldlening kwijtscheldt, doet een informele kapitaalstorting in de vennootschap. Dat geldt ook indien en voor zover de vordering oninbaar is. Het gevolg daarvan is dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in de vennootschap met het bedrag van de informele kapitaalstorting wordt verhoogd.

De partner van een aanmerkelijkbelanghouder wilde met een beroep op het gelijkheidsbeginsel de waardevermindering van een door haar aan de vennootschap verstrekte onzakelijke lening in aftrek op het inkomen brengen. De ongelijke behandeling bestond eruit dat de aanmerkelijkbelanghouder de mogelijkheid heeft van verhoging van de verkrijgingsprijs van zijn aandelen. Voor iemand die zelf geen aanmerkelijk belang heeft, geldt deze mogelijkheid uiteraard niet.

Volgens de Hoge Raad is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ook de aanmerkelijkbelanghouder kan het verlies op een onzakelijke lening niet in aftrek brengen op zijn inkomen. De behandeling van een aanmerkelijkbelanghouder en van de partner van een aanmerkelijkbelanghouder is in zoverre gelijk. De partner van een aanmerkelijkbelanghouder valt niet onder de aanmerkelijkbelangheffing in box 2. Door het ontbreken van een aanmerkelijk belang wordt aan verhoging van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang niet toegekomen. De Hoge Raad maakt duidelijk dat het gaat om verschillende gevallen, zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

Aftrekbeperking werkruimte eigen woning

De aftrek van de kosten van werkruimte in de eigen woning is beperkt. Alleen voor een zelfstandige werkruimte is aftrek, zij het onder voorwaarden, mogelijk. Wanneer iemand geen werkruimte elders heeft, moet hij om recht op aftrek van de kosten van de werkruimte te hebben, minimaal 70% van het gezamenlijke bedrag aan winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking en resultaat uit overige werkzaamheden in of vanuit de werkruimte verwerven. Daarnaast geldt dat hij dat inkomen voor minimaal 30% in de werkruimte in zijn woning verwerft. Ook de inkomsten uit een vroegere dienstbetrekking, zoals pensioen, tellen mee. Dat geldt ook als er geen verband bestaat tussen depensioeninkomsten en de werkruimte.

De Hoge Raad voegt hieraan toe dat de aftrekbeperking ook geldt wanneer met het oog op het verwerven van inkomsten een werkruimte wordt gerealiseerd door uitbreiding van een bestaande woning.

Overzicht maatregelen in regeerakkoord

De onderhandelingen over een nieuw kabinet hebben geresulteerd in een lijvig regeerakkoord, dat bol staat van de plannen en ambities. Onderstaand volgt een beknopt overzicht. Voor de goede orde, het gaat om plannen die in de periode van 2018 tot en met 2021 nog moeten worden omgezet in wetgeving. Daarmee kan worden begonnen wanneer het nieuwe kabinet is geïnstalleerd.

Arbeidsmarkt
Ontslagrecht
Er komt een regeling om ontslag mogelijk te maken op basis van een cumulatie van ontslaggronden. Deze regeling moet ontslag mogelijk maken wanneer de afzonderlijke ontslaggronden daartoe onvoldoende basis bieden, maar de combinatie van meerdere gronden leidt tot een situatie waarin niet van de werkgever verlangd kan worden dat hij de arbeidsovereenkomst voortzet. De rechter kan de transitievergoeding in een dergelijk geval met 50% verhogen.
Werknemers krijgen vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding bij ontslag. De transitievergoeding bedraagt voor ieder dienstjaar een derde maandsalaris, ook bij duren langer dan 10 jaar.
De mogelijkheid om scholingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding wordt verruimd.

Tijdelijke contracten 
De tussenliggende periode voor opvolgende contracten blijft zes maanden. Er komt meer ruimte om per sector hiervan af te wijken als de aard van het werk daarom vraagt. Tijdelijke contracten voor vervanging tijdens ziekte in het primair onderwijs worden uitgezonderd van de ketenbepaling. De periode waarna elkaar opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een contract voor onbepaalde tijd, wordt verlengd naar drie jaar.

Proeftijd
Er komen mogelijkheden om een langere proeftijd op te nemen in arbeidscontracten. In een eerste contract voor onbepaalde tijd mag de proeftijd vijf maanden bedragen. In tijdelijke contracten voor langer dan twee jaar mag de proeftijd drie maanden bedragen.

Loondoorbetaling bij ziekte
De periode van verplichte loondoorbetaling bij ziekte wordt voor werkgevers met maximaal 25 werknemers verkort naar één jaar. De verantwoordelijkheid voor loondoorbetaling en een aantal re-integratieverplichtingen gaan na dat jaar over naar het UWV. De collectieve kosten van het tweede jaar worden gedekt via een door deze groep werkgevers te betalen premie.

Zzp’ers
De Wet DBA wordt ingetrokken. Er komt een nieuwe wet die echte zelfstandigen de zekerheid moet bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en die schijnzelfstandigheid moet voorkomen. Daarvoor wordt een opdrachtgeversverklaring ingevoerd. De combinatie van een laag tarief en een overeenkomst die langer duurt dan drie maanden leidt tot de constatering van een arbeidsovereenkomst. Een laag tarief wil zeggen maximaal 125% van het wettelijk minimumloon of de laagste loonschaal in de geldende cao.

Partnerverlof bij geboorte 
Het doorbetaalde kraamverlof voor partners na bevalling wordt per 1 januari 2019 verlengd naar vijf dagen. Per 1 juli 2020 komt er een regeling voor aanvullend kraamverlof van vijf weken. Dit verlof moet binnen een half jaar na de geboorte worden opgenomen. Het UWV betaalt de werknemer tijdens het verlof een uitkering van 70% van het dagloon.

Belastingstelsel
Loon- en inkomstenbelasting
Er komt in 2019 een tweeschijvenstelsel met een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%.  Het toptarief geldt vanaf een inkomen van ca. € 68.600. Dit bedrag blijft gedurende de kabinetsperiode op het niveau van 2018.
De algemene heffingskorting en de arbeidskorting gaan omhoog. Wel wordt de arbeidskorting sneller afgebouwd dan nu het geval is. Het recht op de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor mensen met een ZW-uitkering vervalt.

De looptijd van de 30%-regeling wordt verkort van acht naar vijf jaar.

De onbelaste vergoeding voor vrijwilligers gaat omhoog van € 1.500 naar € 1.700 per jaar.

Aftrekposten, zoals de hypotheekrenteaftrek en de zelfstandigenaftrek, die nu nog in het hoogste tarief vallen, gaan vanaf 2020 in vier jaarlijkse stappen van 3% omlaag naar het basistarief. De versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt gecompenseerd door een verlaging van het eigenwoningforfait met 0,15%, ingaande in 2020. De regeling, die bij geen of een beperkte eigen woningschuld bijtelling van het eigenwoningforfait voorkomt, wordt vanaf 2018 in 20 jaar stapsgewijs afgebouwd.

Het tarief in box 2 wordt verhoogd van 25 naar 27,3% in 2020 en naar 28,5% in 2021.

Het heffingsvrije vermogen in box 3 gaat omhoog naar € 30.000. Verder zal sneller worden aangesloten bij het werkelijk rendement van spaartegoeden. Dat gebeurt door uit te gaan van de gemiddelde spaarrente in de periode van anderhalf tot een half jaar voor de aanvang van het belastingjaar. In de komende kabinetsperiode zal een stelsel van heffing op basis van het werkelijke in plaats van een forfaitair rendement worden uitgewerkt.

Vennootschapsbelasting
De grondslag voor de belasting van bedrijven wordt verbreed. De opbrengst daarvan wordt benut om de tarieven in de vennootschapsbelasting te verlagen. De huidige tarieven gaan in stappen van 20 en 25% naar 16 en 21% per 2021. In 2019 gaan de tarieven naar 19 en 24% en in 2020 naar 17,5 en 22,5%. De in het Belastingplan 2017 opgenomen stapsgewijze verlenging van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting naar € 350.000 gaat niet door. De eerste schijf eindigt ook na 2017 bij een winst van € 200.000.

De verrekening van verliezen in de vennootschapsbelasting wordt beperkt. Een verlies kan nu nog worden verrekend met winsten van de negen volgende jaren. Dat wordt beperkt tot zes jaar. De verrekening van een verlies met winst van eerdere jaren blijft beperkt tot de winst van het voorafgaande jaar.

Het effectieve tarief voor winst in de innovatiebox gaat omhoog van 5 naar 7%.

Vanaf 2019 wordt de afschrijving op een gebouw in eigen gebruik beperkt en kan de boekwaarde niet lager worden dan de WOZ-waarde. Nu is dat nog 50% van de WOZ-waarde.

Omzetbelasting
Het lage tarief van de btw gaat van 6 naar 9%.

Overige belastingen
De dividendbelasting wordt afgeschaft. Er komt een bronbelasting op rente en royalty’s. Financiering met eigen vermogen wordt aantrekkelijker door de aftrekbaarheid van vreemd vermogen te beperken.

Import gebruikte auto

Voor de registratie van een auto in Nederland maakt het uit of de auto nieuw of gebruikt is. Bij de registratie van een gebruikte auto bedraagt de verschuldigde bpm minder doordat rekening wordt gehouden met afschrijving. De Hoge Raad heeft in enkele arresten bepaald dat voor het antwoord op de vraag of een auto nieuw of gebruikt is niet bepalend is dat de auto, voordat deze naar Nederland kwam, in het buitenland op kenteken is gezet. Volgens de Hoge Raad is een auto nieuw als deze na de vervaardiging niet of nauwelijks is gebruikt.

Hof Den Bosch is van oordeel dat een auto, waarmee ten tijde van de registratie in Nederland ruim 3.000 kilometer is gereden, in het algemeen niet meer als nieuw kan worden aangemerkt. Dat kan anders zijn bij een zogenaamde U-bocht constructie, waarbij belastingbesparing de doorslaggevende reden is geweest. De inspecteur voerde aan dat de belanghebbende in de procedure in Nederland een nieuwe auto had gekocht om die vervolgens in het buitenland te laten registreren en daar kilometers heeft laten maken om deze korte tijd later in Nederland als gebruikt te kunnen registreren. De bpm bedroeg volgens de aangifte € 15.067. De inspecteur berekende de verschuldigde bpm op een bedrag van € 24.185. Voor het verschil van € 9.118 heeft hij een naheffingsaanslag opgelegd.

Volgens het hof heeft de inspecteur het oogmerk van belastingbesparing als doorslaggevende reden niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat tussen de aankoop en de registratie in Nederland niet meer dan drie weken zijn verstreken, is daarvoor onvoldoende.

Kamervragen rulingpraktijk

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de rulingpraktijk van de Belastingdienst beantwoord. De vragen hebben onder meer betrekking op informeel kapitaal en zekerheid vooraf en op hybride entiteiten en financieringsvormen.

Informeel kapitaal
Volgens de staatssecretaris verandert het leerstuk van informeel kapitaal niet door internationale maatregelen op het gebied van informatie-uitwisseling, maar vermindert het risico van belastingontwijking als gevolg van informeel-kapitaalstructuren. Sinds 1 april wordt in OESO-verband informatie over informeel kapitaalsituaties automatisch uitgewisseld. In rulings werd en wordt opgenomen dat de belastingplichtige de buitenlandse belastingautoriteiten een juist en volledig beeld moet geven van de activiteiten en de fiscale behandeling daarvan in Nederland. Er was geen verplichting om deze informatie ongevraagd te verstrekken. Vanaf 1 juli 2017 houdt de Belastingdienst het aantal informeel kapitaalrulings bij. Er is geen beeld van aantallen uit het verleden.

In beginsel wordt in Nederland een zakelijke beloning voor de hier uitgeoefende functies, gelopen risico’s en gebruikte activa in de heffing betrokken. Een louter op basis van aandeelhoudersmotieven ontvangen voordeel zonder of met een onzakelijke tegenprestatie moet volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geëlimineerd worden uit de Nederlandse fiscale winst. Toepassing en uitwerking van dit arm’s lengthbeginsel is niet afhankelijk van de rechtsvorm. Niet alle OESO-lidstaten kennen het leerstuk van informeel kapitaal.

Wanneer een concern door het centraliseren van de inkoopactiviteiten hogere kortingen dan voorheen ontvangt is dat geen voordeel dat is toe te rekenen aan het inkoopkantoor. Het voordeel komt toe aan de onderdelen van het concern die door hun gezamenlijke inkoopvolumes het inkoopkantoor in staat stellen de kortingen te realiseren. Als de kortingen niet worden doorgegeven aan de buitenlandse groepsmaatschappijen kan sprake zijn van informeel kapitaal. Door de toegenomen uitwisseling van informatie is het risico van een gebrek aan inzicht in dergelijke situaties verminderd.

Hybride entiteiten
Hybride entiteiten zijn rechtsvormen die in het ene land als transparant worden gezien en in het andere land als niet-transparant. Of een samenwerkingsverband of een rechtsvorm in Nederland al dan niet als transparant wordt aangemerkt is afhankelijk van de uitkomst van toetsing volgens de kaders die zijn neergelegd in beleidsbesluiten. Per 1 januari 2020 moet er wetgeving zijn die mismatches met hybride entiteiten neutraliseert door de aftrek van een vergoeding te weigeren als er in een ander land geen heffing tegenover staat en andersom. De bedoeling is dat in de eerste helft van 2018 een conceptwetsvoorstel voor consultatie wordt aangeboden.

Vanaf 1 januari 2016 is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing op vergoedingen van of betalingen door een dochtermaatschappij die in het andere land in aftrek kunnen worden gebracht. Deze wetsbepaling bestrijdt de fiscale gevolgen van financieringsvormen die in twee landen verschillend worden gekwalificeerd.

Wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2018 naar Tweede Kamer

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd. Met dit wetsvoorstel wordt een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gewijzigd. De wijzigingen betreffen de arbeidswetgeving, de socialezekerheidswetgeving en de wetgeving rondom de uitvoeringsorganisatie. Het wetsvoorstel bevat oplossingen voor door het UWV en de SVB aangedragen knelpunten in de uitvoering. Deze oplossingen bestaan uit tekstuele aanpassingen, technische verbeteringen en verduidelijkingen. Het wetsvoorstel bevat geen grote beleidswijzigingen, maar alleen zogenoemd klein beleid. De belangrijkste punten worden hierna toegelicht.

WW
Voor de invoering van de Wet werk en zekerheid had een werknemer, die na een periode van werkloosheid hetzelfde aantal uren ging werken als voorheen, geen recht meer op een WW-uitkering. Ook kon een WW-gerechtigde zijn uitkering (tijdelijk) stopzetten door zich niet beschikbaar te stellen voor werk. Als de WW-gerechtigde zich binnen zes maanden weer beschikbaar stelde voor de arbeidsmarkt herleefde het recht op uitkering. Met de invoering van de Wet werk en zekerheid is deze systematiek verlaten. Wanneer een WW-gerechtigde werk aanvaardt tegen een lager loon dan zijn uitkering, kan hij bij een arbeidsurenverlies van minder dan 5 uur per week de uitkering niet stop laten zetten. Nu wordt voorgesteld om dit te veranderen door een uitkeringsgerechtigde in deze situatie de mogelijkheid te geven om de WW-uitkering te beëindigen. De werknemer hoeft dan niet meer te voldoen aan de sollicitatieverplichtingen.

Meerlingenverlof
Sinds 1 april 2016 gaan vrouwen, die zwanger zijn van een meerling, tien weken voor de beoogde datum van bevalling met zwangerschapsverlof. Het verlof mogen zij met twee weken uitstellen. Het bevallingsverlof wordt bij vroeggeboorte verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan zes weken. Deze maximale periode van zes weken komt overeen met de duur van het zwangerschapsverlof bij de zwangerschap van een eenling. Bij vroeggeboorte van een meerling wordt dat verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan tien weken. Het UWV kan de aanpassingen in het meerlingenverlof niet eerder dan per 1 april 2018 uitvoeren.

Compensatieregeling oudere werknemers
Om de positie van vijftigplussers op de arbeidsmarkt te verbeteren wordt de compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig langdurig werklozen tijdelijk verlengd. De compensatieregeling gaat gelden voor personen die op 1 januari 2018 56 jaar of ouder zijn en ten minste 52 weken onafgebroken een WW-uitkering hebben ontvangen. Mocht de werknemer in de eerste vijf jaar van zijn dienstverband langdurig ziek worden, dan ontvangt hij een ziektewetuitkering. De uitkering begint na dertien weken ziekte en duurt maximaal twee jaar. De aanpassing geldt voor de jaren 2018 en 2019.

Dwangbevel voor terugvordering AOW
Het betreft onder meer de invoering van de bevoegdheid voor de SVB om een dwangbevel uit te vaardigen voor het terugvorderen van onverschuldigde AOW-betalingen. De SVB krijgt ook de bevoegdheid om sancties bij het niet naleven van verplichtingen uit de Participatiewet uit te smeren. De SVB is uitvoerder van de bijstand aan ouderen in de vorm van de aanvullende inkomensondersteuning voor ouderen. De SVB mag een sanctie, die bestaat uit een korting op de uitkering, spreiden over maximaal drie maanden.

Eigenrisicodragerschap WGA

Werkgevers, die eigenrisicodrager willen zijn voor het WGA-risico, kunnen dat vanaf 1 januari 2017 alleen voor het totale risico, dus voor het WGA-risico van zowel vaste als flexibele krachten. Werkgevers, die voor 1 januari 2017 eigenrisicodrager waren voor het WGA-risico van hun vaste krachten en eigenrisicodrager wilden blijven, moesten een nieuwe garantie overleggen aan de Belastingdienst voor het totale WGA-risico. Deze garantie moest uiterlijk op 31 december 2016 bij de Belastingdienst binnen zijn. Verzekeraars hebben in een beperkt aantal gevallen geen nieuwe garantie aan de Belastingdienst afgegeven voor werkgevers die eigenrisicodrager wilden blijven, ondanks dat deze werkgevers op tijd hebben gevraagd om een nieuwe garantie. Deze werkgevers zijn door het niet op tijd afgeven van een garantie per 1 januari 2017 ongewild de publieke verzekering ingestroomd.

Volgens de wet is het niet mogelijk om binnen drie jaar na beëindiging van het eigenrisicodragerschap weer eigenrisicodrager te worden. Voor de werkgevers van wie het eigenrisicodragerschap ongewild is beëindigd, komt er eenmalig de mogelijkheid om al eerder dan na drie jaar weer eigenrisicodrager voor de WGA te worden, namelijk per 1 juli 2018. Dit zal via een nota van wijziging op de Verzamelwet SZW 2018 geregeld worden.

Hoog tarief voor alcoholische dranken bij de maaltijd

In navolging van de rechtbank is ook het hof van oordeel dat het hoge tarief voor de omzetbelasting van toepassing is op alcoholhoudende dranken, die een restaurant serveert bij maaltijden. De restauranthouder had toepassing van het lage tarief bepleit omdat het serveren van alcoholhoudende dranken als bijkomende prestatie op zou gaan in de levering van de maaltijd als hoofdprestatie. Op maaltijden, die ter plaatse worden genuttigd, is het lage tarief van toepassing. Het verstrekken van alcoholhoudende dranken is geen bijkomende prestatie bij het verstrekken van maaltijden, maar een afzonderlijke dienst.

Volgende »