Nieuws

Nieuws

Naheffingsaanslag tijdig opgelegd

De bevoegdheid om een naheffingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Een omzetbelastingschuld over 2010 is ontstaan op 31 december 2010. Dat betekent dat de bevoegdheid tot naheffing over het tijdvak 2010 op 1 januari 2016 is verlopen. Een op 28 december 2015 gedagtekend aanslagbiljet, waarmee een naheffingsaanslag over 2010 aan een ondernemer bekend is gemaakt, is dus tijdig opgelegd. De dagtekening van een aanslagbiljet geldt als de dag waarop de belastingaanslag is vastgesteld.

Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2014 volgt dat de dagtekening van een naheffingsaanslag niet beslissend is als de aanslag pas na de dagtekening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Een aanslag is op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt indien deze tijdig ter post is bezorgd. Bij bestrijding van de tijdige terpostbezorging dient de inspecteur aannemelijk te maken dat de aanslag wel tijdig ter post is bezorgd.

Zaakwaarneming in belastingprocedure

De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen zich in een procedure door een gemachtigde kunnen laten vertegenwoordigen. Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van de belangen van een ander, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

De vraag in een procedure was of iemand, die op basis van een machtiging voor een partij beroep heeft ingesteld, na het overlijden van die partij hoger beroep kan instellen voor de erfgenamen terwijl hij niet beschikt over een machtiging van de erfgenamen. Dat zou dan moeten gebeuren op grond van zaakwaarneming.
Voor het belastingrecht kon tot 1 januari 2007 volgens de destijds geldende wetgeving vertegenwoordiging plaatshebben met vergunning van de inspecteur. De wetsbepaling kwam erop neer dat de inspecteur zaakwaarneming kon toestaan als hij ervan overtuigd was dat het belang van de belastingplichtige daardoor werd gediend. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat de hiervoor bedoelde bepaling liet vervallen is opgemerkt dat bij de behoefte aan vertegenwoordiging zonder uitdrukkelijke volmacht van de vertegenwoordigde een beroep op zaakwaarneming kon worden gedaan.

Op basis hiervan concludeert de Hoge Raad dat in uitzonderlijke gevallen niet is uitgesloten dat een natuurlijk persoon in een bestuursrechtelijke procedure op grond van zaakwaarneming optreedt als vertegenwoordiger van een partij die handelingsbekwaam is of wordt vermoed te zijn. De zaakwaarnemer zal moeten stellen en aannemelijk maken dat de belanghebbende niet zelf in rechte kan optreden en redelijkerwijs geen vertegenwoordiger heeft kunnen aanwijzen. Indien wordt aanvaard dat een belanghebbende door een zaakwaarnemer wordt vertegenwoordigd, is die belanghebbende gebonden aan de uitspraak in de procedure.

De zaakwaarnemer voerde aan dat volgens het boedelregister enkele erfgenamen de nalatenschap niet hadden aanvaard en dat hem geen verdere erfgenamen bekend waren. Het hof droeg de inspecteur op om onderzoek te doen naar de erfgenamen. Volgens de inspecteur was de nalatenschap verworpen door de ex-vrouw van de erflater namens hun minderjarige kinderen, door de moeder en de zus van de erflater en door de zus van de erflater namens haar minderjarige zoon. In het boedelregister stond geen notaris vermeld die de boedel afhandelde. Niet duidelijk was of de Belastingdienst van de bevoegdheid om een onbeheerde nalatenschap ter afwikkeling bij het Rijksvastgoedbedrijf aan te melden gebruik zou maken. De Hoge Raad vond aannemelijk dat de zaakwaarnemer zich in dit geding op redelijke grond inliet met de behartiging van het belang van de onbekend gebleven erfgenamen.

Forensenbelasting en verkoop woning

De Gemeentewet biedt gemeenten de mogelijkheid om forensenbelasting te heffen. De gemeenteraad moet daartoe een belastingverordening vaststellen. Forensenbelasting wordt geheven van natuurlijke personen die in de gemeente niet hun hoofdverblijf hebben maar er op meer dan 90 dagen in een belastingjaar de beschikking hebben voor zichzelf of hun gezin over een gemeubileerde woning.

Bij verkoop van een woning in de loop van het jaar is het mogelijk dat de gemeente forensenbelasting heft van beide eigenaren. Bepalend daarvoor is dat beide eigenaren voldoen aan de voorwaarden voor belastingplicht, dat wil zeggen dat zij niet in de gemeente wonen maar er meer dan 90 dagen een gemeubileerde woning ter beschikking hebben. De forensenbelasting hoeft in die situatie niet tijdsevenredig te worden berekend.

Verkrijging aandelen onroerendezaaklichaam

Er geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van onroerende zaken die behoren tot of dienstbaar zijn aan een onderneming door een bepaalde groep familieleden van de ondernemer. Voorwaarde is dat de verkrijgers de onderneming in haar geheel voortzetten.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft deze vrijstelling ook toegepast op de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam. De verkrijger verkreeg geen materiële onderneming waartoe onroerende zaken behoorden, maar aandelen in een vennootschap die een onderneming drijft. Het hof baseerde toepassing van de vrijstelling op de zogenaamde doorkijkarresten van de Hoge Raad. Die arresten houden in dat de fictie, waarbij aandelen in een onroerendezaaklichaam worden aangemerkt als onroerende zaken, niet verder gaat dan het voorkomen van het ontgaan van overdrachtsbelasting door het tussenschuiven van rechtspersonen. Het is niet de bedoeling van deze wetsbepaling om een belastingplicht in het leven te roepen die er niet zou zijn als de onroerende zaak direct zou worden verkregen.

De staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie aangetekend tegen de uitspraak van het hof. De Advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Naar zijn mening komen de doorkijkarresten erop neer dat een verkrijging van fictieve onroerende zaken niet ongunstiger wordt behandeld dan de verkrijging van onroerende zaken. In het latere doorkijkarrest leest de A-G geen bijstelling, beperking of nuancering van dat uitgangspunt.

Uitbreiding geboorteverlof partner

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het wetsvoorstel Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG) naar de Tweede Kamer gestuurd. Op grond van dit wetsvoorstel krijgen partners na de geboorte van een kind vijf in plaats van twee dagen doorbetaald verlof. Het geboorteverlof wordt per januari 2019 ingevoerd. Het verlof kan meteen worden opgenomen, maar kan ook later worden opgenomen, mits het in de eerste vier weken na de bevalling gebeurt.

Vanaf juli 2020 maakt dit wetsvoorstel het mogelijk om in het eerste half jaar na de geboorte nog eens vijf weken extra verlof op te nemen. In die periode hebben partners recht op een uitkering ter hoogte van 70% van het loon. Overigens wordt ook het adoptie- en pleegzorgverlof voor ouders per 1 januari 2019 verlengd van vier naar zes weken.

Evaluatie EIA

Subsidieregelingen met een wettelijke grondslag worden iedere vijf jaar geëvalueerd. Dat geldt ook voor de energie-investeringsaftrek (EIA). De evaluatie van deze regeling over de periode van 2012 tot en met 2017 is onlangs afgerond. Naar aanleiding van de resultaten van deze evaluatie wil het kabinet de regeling continueren tot 1 januari 2024. Het kabinet zal het aftrekpercentage in het Belastingplan 2019 verlagen van 54,5% naar 45%. Het netto belastingvoordeel wordt daardoor lager, maar zou voldoende moeten zijn om ondernemers energie-investeringen te laten doen. Samenvoeging van het loket voor EIA en MIA\Vamil-aanvragen zou moeten leiden tot een vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers.

De belangrijkste aanbevelingen in het evaluatierapport zijn:

  1. Verlaag het effectieve aftrekpercentage.
  2. Voeg nieuwe technieken toe aan de Energielijst en verwijder bestaande technieken. De prestatienormen moeten tussentijds worden aangescherpt.
  3. Integreer de dienstverlening voor EIA- en MIA\Vamil om het onderscheid tussen beide voor ondernemers zichtbaarder te maken.
  4. Maak de minister van Economische Zaken eindverantwoordelijk voor de Uitvoeringsregeling EIA en de Energielijst.
  5. Onderzoek de effecten van het verruimen van de besparingsnormen voor industriële processen.
  6. Onderzoek of meer maatwerk binnen de EIA mogelijk is.

Nieuwe wetgeving positie zelfstandigen zonder personeel

De fiscale en arbeidsrechterlijke postie van een zelfstandige zonder personeel (zzp’er) blijft de overheid bezighouden. De doelstelling van de wetgever is om ondernemers de vrijheid te geven om ondernemer te zijn doch ongewenste constructies die de beschermingsgrenzen van het arbeidsrecht overschrijden tegen te gaan.

Dit is geen eenvoudige opgaaf zo blijkt uit het verleden. De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) is grotendeels buiten werking gesteld tot 1 januari 2020. Wel wordt de handhaving op misbruik met ingang van 1 juli 2018 intensiever. Zoals in februari aangekondigd gaat de Belastingdienst vanaf 1 juli 2018 niet alleen bij de ernstigste kwaadwillenden, maar bij alle kwaadwillenden handhaven.

De plannen zoals deze thans worden uitgewerkt gaan uit van bescherming door middel van een minimaal uurtarief voor de zzp’er en een veronderstelde arbeidsrelatie bij lage uurtarieven. In de tweede helft van het jaar zal er een uitgebreide consultatieronde plaatsvinden. Doel is voor 1 januari 2019 met nadere voorstellen te komen.

Grensoverschrijdende constructies

In een poging om een betere afstemming te krijgen in de internationale belastingheffing en belastingontwijking tegen te gaan wordt een eerste maatregel genomen. Met ingang van 1 juli 2020 zijn adviseurs, zoals belastingadviseurs en accountants, verplicht om grensoverschrijdende constructies te melden welke zijn bedoeld om belasting te ontwijken. Onderdeel van de regelgeving is dat de meldingsplicht geldt voor constructies die na 25 juni 2018 zijn opgezet. De informatie over de periode van 25 juni 2018 tot 1 juli 2020 hoeft pas uiterlijk 31 augustus 2020 aan de Belastingdienst te worden verstrekt

In oktober 2020 zal er een eerste informatie-uitwisseling tussen lidstaten plaatsvinden. Een betere afstemming is een eerste stap in het voorkomen van misbruik. Ook wordt verwacht dat de maatregel preventief zal werken.

De wetgeving wordt thans voorbereid en dient te voldoen aan de richtlijnen van de Europese Unie. In het najaar zal er een consultatieronde plaatsvinden. We houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.

Aanzegverplichting

Bij een tijdelijk arbeidscontract voor een duur van zes maanden of langer geldt de aanzegverplichting. Deze verplichting houdt in dat de werkgever tijdig moet aangeven of hij de overeenkomst na afloop wel of niet wil voortzetten. Dit moet schriftelijk gebeuren en wel uiterlijk 1 maand voor het einde van het contract. Als de werkgever de overeenkomst wil voortzetten moet hij aangeven onder welke voorwaarden dat gebeurt. De werkgever voldoet overigens al aan de aanzegverplichting als hij bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst schriftelijk laat weten dat er geen opvolgend contract zal komen. De aanzegtermijn geldt niet als een uitzendbeding in de arbeidsovereenkomst is opgenomen.

Gevolgen niet nakomen aanzegverplichting
Laat de werkgever niet weten of de arbeidsovereenkomst wel of niet wordt voortgezet, dan is hij de werknemer een vergoeding van 1 maandsalaris verschuldigd. Voldoet de werkgever te laat aan de aanzegverplichting, dan is hij een evenredige vergoeding verschuldigd. Is de werkgever een week te laat met het voldoen aan zijn verplichting, dan bedraagt de vergoeding waar de werknemer recht op heeft een weeksalaris.
De werkgever is geen vergoeding wegens het niet of te laat nakomen van de aanzegverplichting verschuldigd in de volgende situaties:

  • faillissement;
  • uitstel van betaling;
  • toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

Aanpak van belastingontwijking en -ontduiking

De vaste commissie voor Financiën van de Eerste Kamer heeft vragen gesteld aan de staatssecretaris over zijn brief inzake de aanpak van belastingontwijking en belastingontduiking.

De eerste Europese Anti-Tax Avoidance Richtlijn (ATAD1) verplicht de lidstaten van de EU om maatregelen te nemen tegen uitholling van de belastinggrondslag in de vennootschapsbelasting. Het kabinet kiest voor een maatregel die de aftrek van rente beperkt voor bedrijven met een overschot aan vreemd vermogen. Dat moet leiden tot een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting. De (onbegrensde) aftrekbaarheid van rente stimuleert het financieren van ondernemingsactiviteiten met vreemd vermogen. Om dit tegen te gaan wil het kabinet geen uitzondering voor financieringen in groepsverband opnemen. Het kabinet is geen voorstander van het aanbrengen van een onderscheid tussen het financieren met leningen van derden en leningen van groepsmaatschappijen. De maatregel treedt in werking als het per saldo verschuldigde bedrag aan rente meer bedraagt dan € 1 miljoen. Er komt geen eerbiedigende werking voor bestaande leningen.

Het invoeren van deze generieke renteaftrekbeperking schept de ruimte voor het afschaffen van enkele bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen. Dat betreft in ieder geval de aftrekbeperking voor bovenmatige overnamerente. Deze overnameholdingbepaling zal met ingang van 1 januari 2019 vervallen. In het Belastingplan 2019 zal worden aangegeven welke andere renteaftrekbeperkingen zullen worden afgeschaft. In het regeerakkoord is opgenomen dat de renteaftrekbeperking, die winstdrainage tegengaat, blijft bestaan.

Volgende »