Nieuws

Nieuws

Aanzegverplichting

Bij een tijdelijk arbeidscontract voor een duur van zes maanden of langer geldt de aanzegverplichting. Deze verplichting houdt in dat de werkgever tijdig moet aangeven of hij de overeenkomst na afloop wel of niet wil voortzetten. Dit moet schriftelijk gebeuren en wel uiterlijk 1 maand voor het einde van het contract. Als de werkgever de overeenkomst wil voortzetten moet hij aangeven onder welke voorwaarden dat gebeurt. De werkgever voldoet overigens al aan de aanzegverplichting als hij bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst schriftelijk laat weten dat er geen opvolgend contract zal komen. De aanzegtermijn geldt niet als een uitzendbeding in de arbeidsovereenkomst is opgenomen.

Gevolgen niet nakomen aanzegverplichting
Laat de werkgever niet weten of de arbeidsovereenkomst wel of niet wordt voortgezet, dan is hij de werknemer een vergoeding van 1 maandsalaris verschuldigd. Voldoet de werkgever te laat aan de aanzegverplichting, dan is hij een evenredige vergoeding verschuldigd. Is de werkgever een week te laat met het voldoen aan zijn verplichting, dan bedraagt de vergoeding waar de werknemer recht op heeft een weeksalaris.
De werkgever is geen vergoeding wegens het niet of te laat nakomen van de aanzegverplichting verschuldigd in de volgende situaties:

  • faillissement;
  • uitstel van betaling;
  • toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

Aanpak van belastingontwijking en -ontduiking

De vaste commissie voor Financiën van de Eerste Kamer heeft vragen gesteld aan de staatssecretaris over zijn brief inzake de aanpak van belastingontwijking en belastingontduiking.

De eerste Europese Anti-Tax Avoidance Richtlijn (ATAD1) verplicht de lidstaten van de EU om maatregelen te nemen tegen uitholling van de belastinggrondslag in de vennootschapsbelasting. Het kabinet kiest voor een maatregel die de aftrek van rente beperkt voor bedrijven met een overschot aan vreemd vermogen. Dat moet leiden tot een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting. De (onbegrensde) aftrekbaarheid van rente stimuleert het financieren van ondernemingsactiviteiten met vreemd vermogen. Om dit tegen te gaan wil het kabinet geen uitzondering voor financieringen in groepsverband opnemen. Het kabinet is geen voorstander van het aanbrengen van een onderscheid tussen het financieren met leningen van derden en leningen van groepsmaatschappijen. De maatregel treedt in werking als het per saldo verschuldigde bedrag aan rente meer bedraagt dan € 1 miljoen. Er komt geen eerbiedigende werking voor bestaande leningen.

Het invoeren van deze generieke renteaftrekbeperking schept de ruimte voor het afschaffen van enkele bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen. Dat betreft in ieder geval de aftrekbeperking voor bovenmatige overnamerente. Deze overnameholdingbepaling zal met ingang van 1 januari 2019 vervallen. In het Belastingplan 2019 zal worden aangegeven welke andere renteaftrekbeperkingen zullen worden afgeschaft. In het regeerakkoord is opgenomen dat de renteaftrekbeperking, die winstdrainage tegengaat, blijft bestaan.

Aftrek voorbelasting op kosten strategische overname

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU verricht een zuivere holdingmaatschappij geen economische activiteiten voor de omzetbelasting. Dat heeft tot gevolg dat een holding geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. Een zuivere holding heeft geen andere activiteiten dan het verwerven en aanhouden van deelnemingen. Volgens het Hof van Justitie EU hebben ondernemers recht op aftrek van voorbelasting op mislukte investeringen.

Aan het Hof van Justitie EU zijn vragen gesteld over het recht op aftrek van voorbelasting die betrekking heeft op kosten van een mislukte strategische overname van een concurrent door een ondernemer. De ondernemer was geen zuivere holdingmaatschappij. De vraag is of de beperking van aftrek van voorbelasting, zoals die uit de holdingjurisprudentie van het Hof van Justitie EU volgt, in een dergelijk geval van toepassing is. De conclusie van de Advocaat-generaal is dat er geen beperking van het recht op aftrek van voorbelasting dient te gelden. Volgens de conclusie is de verwerving van aandelen in een vennootschap een economische activiteit als de verwerving wordt gedaan ter uitbreiding van de belastbare activiteiten van de verkrijgende vennootschap. De kosten die de verkrijgende vennootschap in dat verband heeft gemaakt, staan in rechtstreeks en onmiddellijk verband met de belastbare activiteiten, zodat de daarover betaalde omzetbelasting in aanmerking komt voor aftrek als voorbelasting.

Gebruikelijk loon

De gebruikelijk-loonregeling is van toepassing op werknemers, die een aanmerkelijk belang hebben in de vennootschap waarvoor zij werken. Iemand heeft een aanmerkelijk belang in een vennootschap wanneer hij, alleen of met zijn fiscale partner:

  • 5% of meer van de aandelen heeft;
  • het recht heeft om 5% of meer van de aandelen in een vennootschap te kopen;
  • winstbewijzen heeft die recht geven op 5% of meer van de jaarwinst van een vennootschap;
  • 5% of meer van het stemrecht in de algemene vergadering van een coöperatie of een vereniging op coöperatieve grondslag bezit.

De gebruikelijk-loonregeling houdt in, dat de aanmerkelijkbelanghouder een loon krijgt dat gebruikelijk is voor het niveau en de omvang van zijn werkzaamheden. De regeling geldt overigens ook voor de fiscale partner van de aanmerkelijkbelanghouder indien deze werkzaamheden voor de vennootschap verricht.

De gebruikelijk-loonregeling bepaalt hoe hoog het loon van de aanmerkelijkbelanghouder minimaal moet zijn. Dit loon is het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het loon van de meestverdienende werknemer van de vennootschap of van een verbonden vennootschap;
  • € 45.000.

Door de vergelijking te maken met het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking hoeft niet gekeken te worden naar het loon van werknemers die precies hetzelfde werk doen. Zo kan het gebruikelijk loon van een orthodontist worden vastgesteld op basis van het loon van een tandarts in loondienst.

Een verbonden vennootschap is:

  • een vennootschap waarin de werkgever een belang van ten minste 1/3 gedeelte heeft, of
  • die een dergelijk belang in de werkgever heeft, of
  • een vennootschap waarin een derde partij een belang van ten minste 1/3 gedeelte heeft, terwijl deze derde partij een dergelijk belang in de werkgever heeft.

Het loon mag op een lager bedrag worden vastgesteld als:

  • Aannemelijk is dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 45.000. Het gebruikelijk loon bedraagt dan 100% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
  • Aannemelijk is dat 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan het loon van de meestverdienende werknemer in dienst van de werkgever of van een verbonden lichaam. Het gebruikelijk loon bedraagt dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, maar ten minste € 45.000. De Belastingdienst kan het tegenbewijs leveren om een hoger loon aannemelijk te maken.

De gebruikelijk-loonregeling geldt voor iedere vennootschap waarin de werknemer een aanmerkelijk belang heeft en waarvoor hij werkzaamheden verricht.

Voorbeeld
Een concern bestaat uit een moedermaatschappij en een dochtermaatschappij. De moedermaatschappij heeft alle aandelen in de dochtermaatschappij. De aandelen van de moedermaatschappij zijn in handen van de directeur-grootaandeelhouder (dga). De dga werkt voor de moedermaatschappij en voor de dochtermaatschappij. Omdat hij in beide vennootschappen een aanmerkelijk belang heeft, geldt bij beide vennootschappen de gebruikelijk-loonregeling.

Het gebruikelijk loon is het loon inclusief de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak. Ingehouden pensioenpremie behoort niet tot het loon. Ook het gebruik van gerichte vrijstellingen in de werkkostenregeling heeft gevolgen voor het gebruikelijk loon.

De gebruikelijk-loonregeling geldt ook voor de werknemersverzekeringen, tenzij de werknemer een dga is. Een dga is niet (altijd) verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Iemand geldt als dga als hij:

  • zelf over zijn ontslag kan beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden;
  • zelf, of samen met zijn echtgenoot en met zijn familieleden tot en met de derde graad, aandelen heeft die ten minste 2/3 deel van de stemmen vertegenwoordigen, zodat hij (samen met zijn familieleden) over zijn ontslag kan beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden;
  • samen met de andere bestuurders alle aandelen in de vennootschap heeft en ieder een gelijk deel van het kapitaal in handen heeft;
  • via een rechtspersoon waarvan hij de bestuurder is of waarin hij aandelen houdt, zoveel invloed in de vennootschap heeft dat hij over zijn ontslag kan beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden.

Voor al deze situaties geldt dat de bestuurder zelf direct of indirect aandelen in de vennootschap moet hebben. Met bestuurder wordt de statutair bestuurder bedoeld. Is dat een rechtspersoon, dan wordt degene die het bestuurswerk uitvoert als bestuurder gezien.

Start-ups
Voor aanmerkelijkbelanghouders die werken voor een start-up geldt een versoepeld regime. Gedurende maximaal drie jaar mag het wettelijk minimumloon of een lager loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking als gebruikelijk loon worden aangehouden. Om als start-up aangemerkt te worden moet de vennootschap voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • zij beschikt in het kalenderjaar over een S&O-verklaring;
  • zij heeft recht op het verhoogde starterspercentage;
  • zij komt niet uit boven het “de minimis-plafond” inzake staatssteun van het Europese Verdrag.

Fictief loon
De vennootschap kan de aanmerkelijkbelanghouder een lager loon betalen dan gebruikelijk is voor zijn werk. Het verschil tussen het gebruikelijke en het uitbetaalde loon moet als fictief loon in de loonadministratie verwerkt worden. De loonheffingen moeten over het gehele gebruikelijke loon, dus inclusief het fictieve loon, berekend worden. Betaalt de vennootschap helemaal geen loon uit aan de aanmerkelijkbelanghouder, dan is het gebruikelijke loon in zijn geheel fictief loon.

Gebruikelijk loon € 5.000 of lager
Krijgt een aanmerkelijkbelanghouder geen loon en is de omvang van zijn werkzaamheden zo gering dat een daarvoor gebruikelijk loon niet hoger dan € 5.000, dan hoeft de vennootschap geen loonheffingen over dat loon te betalen. De fictief-loonregeling geldt in deze gevallen niet. De grens van € 5.000 geldt overigens voor alle werkzaamheden die de aanmerkelijkbelanghouder verricht voor de groep van bedrijven waarin hij een aanmerkelijk belang heeft.
Betaalt de vennootschap wel loon aan de aanmerkelijkbelanghouder, dan moet zij wel loonheffingen betalen, ook al is het uitbetaalde loon lager dan € 5.000.

Fictieve erfrechtelijke verkrijging

De Successiewet bevat een bepaling waardoor alles wat binnen 180 dagen voor iemands overlijden is geschonken voor de erfbelasting als krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Deze bepaling moet voorkomen dat door schenkingen in het zicht van het overlijden belastingvoordelen worden behaald door het meermaals benutten van vrijstellingen en het laagste schijftarief. Het gevolg kan zijn dat in aanvulling op de eerder betaalde schenkbelasting ook nog erfbelasting moet worden betaald. De eerder betaalde schenkbelasting komt in mindering op de verschuldigde erfbelasting.

De vraag in een procedure voor de rechtbank was hoe het bedrag van de vermindering van de erfbelasting moet worden bepaald. Omdat de schenkbelasting geen voorheffing is van de erfbelasting kan de vermindering niet hoger zijn dan het bedrag van de uiteindelijk verschuldigde erfbelasting. De wet bevat verder geen beperkingen voor de omvang van de vermindering. In de door de rechtbank behandelde zaak kwam het volledige bedrag van de schenkbelasting in mindering op de erfbelasting.

Kamerbrief positie bedrijfsarts

De verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden ligt bij werkgevers en werknemers. De werkgever moet zich in een aantal situaties laten ondersteunen door een arbodienst of een bedrijfsarts, bijvoorbeeld bij de advisering over ziekteverzuimbegeleiding en bij re-integratie. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer een uiteenzetting gegeven over de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts.

Vanaf 1 juli 2018 moet iedere werkgever een basiscontract hebben met een arbodienst of een bedrijfsarts. Daarin wordt vastgelegd welke taken de bedrijfsarts vervult en hoe deze worden uitgevoerd. De staatssecretaris onderkent dat de bedrijfsarts in situaties terecht kan komen waarin werkgever en werknemer tegenover elkaar staan. Ook in die situaties moet de bedrijfsarts zijn onafhankelijkheid bewaren. Een zieke werknemer mag niet onder druk gezet worden om te beginnen met werken of in de WW terechtkomen zonder voldoende hersteld te zijn. In eerste instantie is de werkgever verantwoordelijk voor de begeleiding van een zieke werknemer. De bedrijfsarts is de adviseur van de werkgever en de werknemer. De staatssecretaris ziet het nieuwe basiscontract als een belangrijk instrument om de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts te versterken. Een arbodienst of bedrijfsarts hoeft niet altijd in te stemmen met datgene wat een werkgever vraagt.

Als een werknemer tegen zijn zin hersteld wordt verklaard door de bedrijfsarts, kan hij aan het UWV een deskundigenoordeel vragen. Tegen het deskundigenoordeel van het UWV kan beroep bij de rechter worden ingesteld.

Aansprakelijkheid werkgever

Werkgevers moeten zorgen voor een veilige werkomgeving. Doen zij dat niet, dan zij aansprakelijk voor de schade die hun werknemers daardoor oplopen, tenzij de werknemer schade lijdt als gevolg van opzet of bewust roekeloos handelen.
Op grond van vaste jurisprudentie zijn werkgevers verplicht om een behoorlijke verzekering af te sluiten ter dekking van schade van werknemers, die in de uitoefening van hun werkzaamheden als bestuurder van een motorvoertuig betrokken kunnen raken bij een verkeersongeval. Als de werkgever niet heeft gezorgd voor een behoorlijke verzekering, is hij zelf aansprakelijk voor de schade die een werknemer door de tekortkoming van de werkgever heeft geleden.

Een procedure had betrekking op de vraag of de werkgever aansprakelijk was voor de door een werknemer geleden schade ten gevolge van een aanrijding tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Tussen partijen was niet in geschil dat de werknemer door een spoorwegovergang op te rijden terwijl een trein naderde, feitelijk roekeloos had gehandeld. De vraag was of het roekeloos handelen bewust was. Daarvan is niet snel sprake. Alleen wanneer uit de feiten zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat de werknemer zich direct voorafgaand aan het ongeval bewust is geweest van de gevaarlijke situatie en tóch willens en wetens het risico heeft genomen, is sprake van bewust roekeloos handelen. Naar het oordeel van de kantonrechter deed zich hier een dergelijke situatie niet voor. Zelfs als de werknemer de overgang is opgereden toen de alarmlichten al brandden, het belsignaal was afgegaan en de halve slagboom naar beneden was, dan is volgens de kantonrechter niet uitgesloten dat de werknemer zich niet bewust was van de naderende trein, bijvoorbeeld omdat hij was afgeleid of de weg zocht. Volgens de kantonrechter zou het anders zijn geweest als de overgang was beveiligd door hele in plaats van halve slagbomen. De verklaring van de treinmachinist dat de werknemer stapvoets de overgang was opgereden, bevestigt volgens de kantonrechter de conclusie dat hij zich op dat moment niet bewust moet zijn geweest van zijn roekeloze gedrag.

Omdat de werkgever niet had voldaan aan zijn verplichting om te zorgen voor een behoorlijke verzekering die de schade van een verkeersongeval dekt, was hij aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval.

Geen animo voor stapsgewijs omzetten van hypotheken

De Tweede Kamer heeft vorig jaar een motie aangenomen waarin de regering wordt gevraagd om in samenspraak met kredietverstrekkers mogelijk te maken dat hypotheken stapsgewijs worden omgezet in een vorm met lagere maandlasten. Dat zou moeten gebeuren door gebruik te maken van de mogelijkheid om ieder jaar een deel boetevrij af te lossen en dat deel over te sluiten. Op die manier zou oversluiten zonder vergoeding aan de kredietverstrekker mogelijk zijn. Wet- en regelgeving kennen geen belemmering voor stapsgewijs oversluiten.

Tijdens overleg met het Platform Hypotheken werd geconcludeerd dat de voordelen van stapsgewijs oversluiten niet opwegen tegen de nadelen. Dat geldt zowel voor stapsgewijs oversluiten bij de eigen kredietverstrekker als voor stapsgewijs oversluiten naar een andere kredietverstrekker. De vrees bestaat dat het stapsgewijs oversluiten een negatief effect zal hebben op het aanbod van lange rentevastperiodes en flexibele hypotheekvoorwaarden. Door stapsgewijs over te sluiten wordt de rentevastperiode eenzijdig en kosteloos opengebroken. Er bestaan andere laagdrempelige mogelijkheden om te profiteren van de huidige lage rente, zoals regulier oversluiten of rentemiddeling. Daarnaast ontstaat een complexe situatie wanneer er meerdere leningdelen zijn met hetzelfde onderpand bij meerdere kredietverstrekkers.

De minister van Financiën heeft aan de Tweede Kamer laten weten dat hij, gelet op de uitkomsten van het overleg, het niet opportuun vindt om aanbieders op te roepen om stapsgewijs oversluiten breed aan te bieden.

Gebruik woning tijdens verblijf in buitenland

De eigen woning van een belastingplichtige valt in box 1 van de inkomstenbelasting. Er moet een aan de waarde van de woning gerelateerd bedrag bij het inkomen worden geteld, terwijl de rente en de kosten van de financiering van de woning aftrekbaar zijn. Een woning blijft gelden als eigen woning voor de inkomstenbelasting gedurende tijdelijk verblijf elders, bijvoorbeeld in het buitenland. Gedurende deze periode mag de woning niet aan derden ter beschikking worden gesteld en mogen de belastingplichtige en zijn partner geen andere eigen woning hebben. Wordt niet aan de voorwaarden voldaan, dan valt de woning niet langer onder de eigenwoningregeling en gaat deze van box 1 naar box 3. De betaalde hypotheekrente is dan niet aftrekbaar. Gebruik van de woning tijdens het verblijf elders door mensen die deel uitmaken van het huishouden van de belastingplichtige is toegestaan.

Naar het oordeel van Hof Den Bosch kwalificeert het gebruik van een woning door een neef van de belastingplichtige als het ter beschikking stellen van de woning aan een derde. Volgens het hof behoorde de neef niet tot het huishouden van de belastingplichtige en moest de neef dus worden aangemerkt als een derde. De neef logeerde in de woning van de belastingplichtige wanneer hij voor zijn studie in de buurt moest zijn. Het hof vond van belang dat de neef toestemming had voor het gebruik van de woning en dat sprake was van meer dan incidenteel logeren. Dat de neef slechts gebruik maakte van één slaapkamer en van de algemene voorzieningen in de woning wil niet zeggen dat de woning niet aan derden ter beschikking werd gesteld.
Het hof was van oordeel dat de inspecteur de woning terecht niet als eigen woning heeft aangemerkt.

Besluit marktrente

Volgens vaste jurisprudentie moeten langlopende renteloze verplichtingen worden gewaardeerd tegen de marktrente voor langlopende leningen die gold op het moment van aangaan van de verplichtingen. Bij een daling van de rentestand mogen de verplichtingen hoger worden gewaardeerd. Stijgt de rente na een eerdere daling, dan moet de waardering van de verplichtingen worden aangepast aan de hogere rentestand. De waarde van de verplichtingen zakt echter niet onder de oorspronkelijke waarde.

Omdat “de” marktrente niet bestaat, publiceerde de staatssecretaris van Financiën jaarlijks een beleidsbesluit met marktrentestanden. Omdat de Uitvoeringsregeling Loonbelasting sinds 1 april 2017 een op vergelijkbare wijze jaarlijks vastgestelde marktrente bevat, is het niet langer nodig om jaarlijks een marktrentebesluit te publiceren. De bepaling in de Uitvoeringsregeling is bedoeld voor de oprenting van een oudedagsverplichting gedurende een kalenderjaar.

Voor de bepaling van de contante waarde van renteloze verplichtingen aan het einde van een kalenderjaar kan de marktrente worden gesteld op het gemiddelde van de U-rendementen van dat jaar. De U-rendementen worden maandelijks gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van Verzekeraars. Voor situaties waarin voor de winstbepaling de marktrente moet worden bepaald op een tijdstip in de loop van een kalenderjaar keurt de staatssecretaris goed dat als marktrente het rekenkundig gemiddelde van de U-rendementen over de desbetreffende maand en de elf voorafgaande maanden wordt gehanteerd.

Volgende »