Wetsvoorstel implementatie vierde anti-witwasrichtlijn

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel in behandeling ter implementatie van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn. De richtlijn dateert uit 2015. De implementatie van de richtlijn in de nationale wetgeving had per 26 juni 2017 afgerond moeten zijn, maar diverse landen, waaronder Nederland, hebben de deadline niet gehaald. De richtlijnbepalingen worden opgenomen in de Wet ter bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). De minister van Financiën heeft de nota naar aanleiding van het verslag en een nota van wijziging op het wetsvoorstel naar de Kamer gestuurd. De nota van wijziging bevat enkele technische verbeteringen van het wetsvoorstel.

De vierde anti-witwasrichtlijn verplicht de lidstaten om een register van uiteindelijk belanghebbenden bij vennootschappen en andere juridische entiteiten (UBO-register) in te voeren. Dat register wordt echter niet in dit wetsvoorstel geregeld, maar in een afzonderlijk, nog in te dienen wetsvoorstel tot wijziging van de Handelsregisterwet. Een uiteindelijk belanghebbende is in ieder geval de natuurlijke persoon, die een aandelen- of eigendomsbelang van 25% of meer heeft of die op basis van een vergelijkbaar percentage aan stemrechten de zeggenschap heeft.

De Wwft verplicht een financiële instelling om een cliëntenonderzoek in te stellen bij het aangaan van een zakelijke relatie met een cliënt of bij het doen van een incidentele transactie met of voor een cliënt, ongeacht het type dienstverlening of het type transactie. Daarnaast verplicht de Wwft tot het melden van ongebruikelijke transacties. Op basis van een risicoanalyse moet worden bepaald hoever het cliëntenonderzoek dient te gaan. Afhankelijk van de uitkomst kan soms worden volstaan met een vereenvoudigd cliënten onderzoek. Onderdeel van een dergelijk onderzoek zijn maatregelen als het identificeren van de cliënt en diens UBO(‘s), het verifiëren van de opgegeven identiteit en het vergaren van informatie over het doel en de aard van de relatie of transactie.

Omdat aan hun dienstverlening een hoog integriteitrisico is verbonden, wordt van trustkantoren in beginsel een verscherpt cliëntenonderzoek verwacht. Dit integriteitrisico houdt verband met de vaak fiscaal gedreven, complexe structuren van rechtspersonen waarmee trustkantoren zich bezighouden. Na de invoering van het wetsvoorstel worden alle begunstigden van het vermogen van een trust als UBO aangemerkt. Nu is dat beperkt tot begunstigden van 25% of meer van het vermogen van een trust. Voor vennootschappen en andere juridische entiteiten kan het hoger leidinggevend personeel als UBO worden aangemerkt.

Op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn wordt de reikwijdte van de Wwft uitgebreid tot (rechts)personen en vennootschappen die handelen als koper of verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 10.000 of meer. Voorheen vielen alleen verkopers van goederen, voor zover het betalingen in contanten betrof van € 15.000 of meer, onder de verplichtingen van de Wwft.

Wanneer de bepalingen van de Wwft worden overtreden kan de vergunning van een financiële instelling of een trustkantoor worden ingetrokken. Aan instellingen die niet vergunningplichtig zijn, kan een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom worden opgelegd. Nieuw is dat in het geval van ernstige overtredingen de natuurlijke persoon die een overtreding begaat of die daaraan leiding heeft gegeven, de bevoegdheid kan worden ontzegd om bij een Wwft-instelling een beleidsbepalende functie uit te oefenen.

Inkeer buitenlands vermogen leidde tot navordering erfbelasting

De Belastingdienst kan een navorderingsaanslag opleggen wanneer op grond van een nieuw feit vermoed wordt dat ten onrechte geen aanslag of een te lage aanslag is opgelegd. De normale termijn waarbinnen een navorderingsaanslag moet worden opgelegd is vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Heeft de navorderingsaanslag betrekking op een buitenlands inkomens- of vermogensbestanddeel, dan geldt een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

Per 1 januari 2012 geldt voor de erfbelasting geen beperking meer in de navorderingstermijn in gevallen waarin een buitenlands inkomens- of vermogensbestanddeel niet, onjuist of onvolledig is opgenomen in de gedane aangifte. Deze wijziging is onmiddellijk in werking getreden en heeft betrekking op alle gevallen waarin de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar op 1 januari 2012 nog niet was verstreken.

Een in 2014 gedane melding van niet aangegeven buitenlands vermogen voor de inkomstenbelasting leidde niet alleen tot het opleggen van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, maar ook tot het opleggen van een navorderingsaanslag erfbelasting. Het buitenlandse vermogen was door de belastingplichtige verkregen uit de nalatenschap van zijn overleden vader. De belastingplichtige bestreed de navorderingaanslag erfbelasting, omdat de navorderingstermijn in 2012 zou zijn verstreken. Op 1 januari 2012 was de termijn van twaalf jaar nog niet verstreken, zodat in dit geval geen beperking in de navorderingstermijn gold. De navorderingsaanslag erfbelasting was terecht opgelegd.

Dubbele belastingheffing pensioen grensarbeiders uit België

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over dubbele belastingheffing over pensioenen van grensarbeiders uit België. Het belastingverdrag met België wijst het heffingsrecht over privaatrechtelijke pensioenen in beginsel toe aan de woonstaat, zij het dat onder voorwaarden ook de vroegere werkstaat belasting mag heffen. Een van die voorwaarden houdt in dat het pensioen in de woonstaat onvoldoende wordt belast.

Volgens de Belgische rechter kan België op grond van het nationale recht uit Nederland afkomstige pensioenen niet geheel in de heffing kan betrekken. Door deze uitspraken is voor de Belastingdienst onduidelijk of uit Nederland afkomstige pensioenen in België wel voldoende belast worden. Daarom wordt niet zonder meer een vrijstelling voor de loonbelasting gegeven om te voorkomen dat in geen van beide landen belasting wordt geheven over de pensioenuitkering. Daardoor kan dubbele belastingheffing optreden. De onduidelijkheid heeft betrekking op lagere pensioenbedragen. Wanneer het brutobedrag van de pensioenuitkeringen in een kalenderjaar niet hoger is dan € 25.000, is volgens het belastingverdrag alleen de woonstaat heffingsbevoegd.
Omdat zowel de Nederlandse als de Belgische autoriteiten dubbele belastingheffing over buitenlandse pensioenen onwenselijk achten, zal op korte termijn overleg plaatsvinden om tot een oplossing te komen.

Onderzoek fiscale rulings IKEA

De Europese Commissie doet onderzoek naar de fiscale rulings die Nederland heeft gesloten met IKEA. In het kader van dat onderzoek heeft de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer gevraagd naar de datum van publicatie van de niet-vertrouwelijke versie van het besluit van de Europese Commissie. Die datum is niet bekend. Nederland heeft aangegeven welke gegevens in het besluit als vertrouwelijk beschouwd moeten worden. Over de vertrouwelijke gegevens wordt overleg gevoerd met de Europese Commissie.

De staatssecretaris heeft aangeboden om een zogenaamde technische briefing te verzorgen voor de vaste Kamercommissie. Vanwege de wettelijke geheimhoudingsplicht kan de Belastingdienst niet in het openbaar gegevens over belastingplichtigen bevestigen of ontkennen en zal de briefing besloten moeten zijn. In deze briefing zal de staatssecretaris een volledig en transparant beeld schetsen van de rulings en het besluit van de Europese Commissie.

Geen verrekening neveninkomsten bij loondoorbetaling

Een werknemer heeft gedurende een tijdvak van 104 weken recht op doorbetaling van loon bij arbeidsongeschiktheid. De loondoorbetaling bedraagt wettelijk 70% van het vastgestelde loon en gedurende de eerste 52 weken ten minste het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon. Werkgever en werknemer kunnen hogere bedragen aan doorbetaling overeenkomen. In de praktijk komt vaak voor dat een arbeidsongeschikte werknemer de eerste 52 weken recht heeft op 100% doorbetaling van het loon.

In een procedure voor Hof Den Bosch stelde een werkgever zich op het standpunt dat hij de loondoorbetaling aan een arbeidsongeschikte werknemer mocht opschorten. Volgens de werkgever mocht hij bedragen die de werknemer tijdens ziekte ontving in mindering brengen op het uit te betalen loon. De werkgever had de werknemer gevraagd om informatie over andere inkomsten. Omdat de werknemer geen informatie verstrekte meende de werkgever dat hij zijn loondoorbetalingsverplichting mocht opschorten. De werknemer bestreed dat hij neveninkomsten had gehad tijdens zijn ziekteperiode.
De wet geeft aan de werkgever de bevoegdheid om de loondoorbetaling op te schorten, maar die bevoegdheid geldt voor de situatie waarin de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften over het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever nodig heeft om het recht op loon vast te stellen. De werkgever mag van die bevoegdheid alleen gebruik maken als hij voldoende concrete aanwijzingen heeft dat de werknemer tijdens ziekte inkomsten elders heeft ontvangen.

Het hof oordeelde dat de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer tijdens zijn ziekteperiode inkomsten heeft genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij voor de werkgever had kunnen werken als hij niet ziek zou zijn geweest. Het was de werknemer niet verboden om nevenwerkzaamheden te verrichten. Als hij daarmee inkomsten zou hebben gegenereerd mochten die niet op het loon in mindering worden gebracht. Het hof wees de vordering van de werknemer tot doorbetaling van loon toe.

Nogmaals belemmeringsverbod Waadi

De Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) bevat een belemmeringsverbod. De uitlener van personeel mag op grond van dat verbod niet verhinderen dat een uitgeleende arbeidskracht na afloop van de terbeschikkingstelling in dienst treedt bij degene aan wie hij ter beschikking was gesteld. Wel is toegestaan dat de uitlener een redelijke vergoeding vraagt van degene aan wie de arbeidskracht ter beschikking is gesteld voor de kosten van de terbeschikkingstelling, de werving of opleiding van de arbeidskracht. Het belemmeringsverbod gaat niet zo ver dat een uitzendbureau niet een beding in arbeidscontracten mag opnemen dat haar werknemers belemmert om bij een concurrerend uitzendbureau in dienst te treden. Het belemmeringsverbod is in 2012 ingevoerd ter implementatie van de Europese Uitzendrichtlijn.

De kantonrechter heeft in een procedure het standpunt van een uitzendbureau dat het belemmeringsverbod niet van toepassing is op een werknemer met een vast dienstverband afgewezen. Het uitzendbureau meende dat het belemmeringsverbod is bedoeld om de toegang van gedetacheerde arbeidskrachten tot een vast dienstverband te waarborgen en dus niet van toepassing is op een arbeidskracht die al een vast dienstverband heeft. Volgens de tekst van de wet maakt het niet uit of een arbeidskracht in vaste dienst is bij de uitlener of niet. Ook maakt het niet uit of de arbeidskracht bij de inlener in vaste dienst komt of niet. De Uitzendrichtlijn maakt dat onderscheid ook niet.

Overgangsregeling bijtelling privégebruik auto

Sinds 1 januari 2017 bedraagt de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak ten minste 22% van de cataloguswaarde van de auto indien de auto jonger is dan 15 jaar. In de jaren voor 2017 gold een bijtelling van 25%. Bij wijze van overgangsregeling geldt voor een auto met een datum van eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016 in de jaren 2017 en volgende een bijtelling van 25%.

Volgens de rechtbank is de overgangsregeling niet in strijd met het discriminatieverbod, zoals dat is opgenomen in internationale verdragen. De rechtbank benadrukt dat deze verdragen niet iedere vorm van ongelijke behandeling verbieden, maar alleen die waarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt. Vooral op fiscaal gebied heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid om gelijke gevallen ongelijk te behandelen. Het oordeel van de wetgever dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat moet worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dat is alleen anders wanneer het gaat om onderscheid op basis van persoonlijke kenmerken.

De verlaging van het bijtellingspercentage is volgens de rechtbank niet alleen gegrond op milieudoelstellingen. Dit betekent dat ook het door de overgangsregeling veroorzaakte onderscheid niet terug te voeren is op milieudoelstellingen. De wetgever heeft ook andere factoren betrokken in de bepaling van het bijtellingspercentage, zoals door werkgevers gestelde beperkingen aan het privégebruik en de door werkgevers beïnvloede keuze van auto’s.

Samenhang conserverende en gewone aanslag erfbelasting

Bij de erfrechtelijke verkrijging van ondernemingsvermogen kan onder voorwaarden de bedrijfsopvolgingsregeling worden toegepast. Het ondernemingsvermogen wordt dan voorwaardelijk vrijgesteld door het opleggen van een conserverende aanslag. Voor zover de verkrijging uit niet-ondernemingsvermogen bestaat wordt een gewone aanslag erfbelasting opgelegd. De bedrijfsopvolgingsregeling geldt ook voor de verkrijging van aandelen die bij de erflater tot een aanmerkelijk belang behoorden, voor zover de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben een onderneming dreef ten tijde van het overlijden van de erflater. Beleggingsvermogen van de bv valt niet onder de bedrijfsopvolgingsregeling en is dus niet voorwaardelijk vrijgesteld van erfbelasting.

Een erfrechtelijke verkrijging bestond uit aandelen in een bv die tot een aanmerkelijk belang van de erflater behoorden. In verband daarmee werd aan de erfgenaam een reguliere en een conserverende aanslag successierecht opgelegd. Over beide aanslagen werd een procedure gevoerd, die leidde tot een ter zitting van de rechtbank gesloten compromis. Dat compromis hield in dat het beleggingsvermogen van de bv werd verminderd en het ondernemingsvermogen werd verhoogd. In verband daarmee verminderde de rechtbank de reguliere aanslag erfbelasting. De conserverende aanslag was volgens de rechtbank niet te hoog vastgesteld en bleef daarom in stand. Nadat de uitspraak van de rechtbank onherroepelijk was geworden legde de inspecteur een conserverende navorderingsaanslag op. Deze had betrekking op de in het compromis vastgelegde verhoging van het ondernemingsvermogen van de bv. Ook over deze aanslag werd een procedure gevoerd.

Hof Den Bosch oordeelde dat in het compromis niets was opgenomen over een correctie van de conserverende aanslag, zodat de inspecteur rekening had moeten houden met de reguliere termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag. Volgens de inspecteur volgt uit de samenhang tussen de reguliere en de conserverende aanslag dat een vermindering van de gewone aanslag tot verhoging van de conserverende aanslag moet leiden. De adviseur van de wederpartij had dat moeten begrijpen. Het hof heeft op deze stelling van de inspecteur niet gereageerd. De Hoge Raad heeft deze uitspraak vernietigd. Hof Arnhem-Leeuwarden moet nu onderzoeken of de stelling van de inspecteur voldoende aannemelijk is gemaakt.

Intrekking wetsvoorstel uitbreiding kraamverlof

In het regeerakkoord zijn afspraken opgenomen over een uitbreiding van het kraamverlof. Volgens deze plannen wordt het bestaande kraamverlof uitgebreid met drie volledig betaalde verlofdagen en vijf weken aanvullend verlof met recht op een uitkering van 70% van het (maximum)dagloon. In verband met deze plannen heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het in 2016 ingediende wetsvoorstel, waarin een minder vergaande uitbreiding van het kraamverlof was voorzien, ingetrokken. Het ingetrokken voorstel ging uit van drie extra dagen met recht op een uitkering ter hoogte van het (maximum)dagloon.