Kamervragen invloed grote vier accountantskantoren

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over de invloed van de grote vier accountantskantoren op Europees niveau op belastingbeleid en belastingontwijking. Naar de wijze waarop dat gebeurt is uitgebreid onderzoek gedaan. Volgens het onderzoeksrapport moeten de grote vier niet de mogelijkheid hebben om onderzoeken te verrichten of adviezen uit te brengen voor de beleidsbepaling en besluitvorming van de Europese Commissie over het bestrijden van belastingontwijking.
Bij de vormgeving van fiscaal beleid en de totstandkoming van fiscale wetgeving wordt gesproken met partijen die daarmee in de praktijk in aanraking komen, zoals adviseurs en bedrijfsleven, en wordt bij hen advies ingewonnen, bij voorkeur via overkoepelende organisaties. De staatssecretaris vindt van belang dat externe partijen geen doorslaggevende stem hebben bij de vormgeving van fiscaal beleid of bij de totstandkoming van fiscale wetgeving.

De gepubliceerde documenten in de Lux Leaks, de Panama Papers, de Paradise Papers en andere affaires onderstrepen voor de staatssecretaris het belang van de bestrijding van belastingontduiking en belastingontwijking in internationaal verband. De staatssecretaris wijst op diverse maatregelen die in dat kader zijn getroffen, zoals de richtlijn voor verplichte automatische uitwisseling van informatie op het gebied van potentieel agressieve belastingstructuren. Op grond van deze richtlijn worden intermediairs verplicht om dergelijke belastingstructuren te melden bij de belastingdienst.
Anders dan de vragensteller veronderstelt gaat de staatssecretaris er niet van uit dat sprake is van ernstige belangenverstrengeling tussen de Europese Commissie en de grote accountantskantoren. De staatssecretaris vertrouwt op de deskundigheid, onafhankelijkheid en integriteit van de Europese Commissie en de procedures die belangenverstrengeling tegengaan en transparantie bevorderen.

Volgens de staatssecretaris hebben de grote vier in de afgelopen jaren geen betaalde opdrachten voor onderzoeken op fiscaal terrein van het ministerie van Financiën gehad. Wel zijn door deze kantoren werkzaamheden op andere terreinen, zoals ICT, organisatie-inrichting of audits verricht.

Kamerbrief onderzoek belastingrente

Bij de behandeling van het Belastingplan 2018 in de Tweede Kamer is een motie aangenomen over het systeem van de belastingrente. De staatssecretaris van Financiën heeft onderzoek naar de systematiek, de hoogte van de rente en mogelijke verbeterpunten laten doen.  In een brief aan de Tweede Kamer doet de staatssecretaris verslag van het onderzoek. De regeling belastingrente komt erop neer dat de inspecteur belastingrente in rekening brengt als het opleggen van een belastingaanslag met een te betalen bedrag door toedoen van de belastingplichtige te lang op zich laat wachten. De inspecteur vergoedt belastingrente als hij er te lang over doet een belastingaanslag met een uit te betalen bedrag vast te stellen.  Belastingplichtigen kunnen voorkomen dat zij belastingrente moeten betalen door tijdig en correct aangifte te doen of te vragen om een (voorlopige) aanslag.

In de inkomstenbelasting en de erfbelasting kunnen zich situaties voordoen waarin aan de belastingplichtige belastingrente in rekening wordt gebracht ondanks dat hij tijdig en correct aan zijn verplichtingen voldoet. De staatssecretaris zal in het Belastingplan 2019 maatregelen opnemen om dit in het vervolg te voorkomen. Het gaat om de volgende situaties en maatregelen:

  1. Sinds 2014 moet de aangifte inkomstenbelasting voor 1 mei in plaats van voor 1 april na afloop van het belastingjaar zijn ingediend. Het kan voorkomen dat bij een aangifte die tussen 1 april en 1 mei is ingediend toch belastingrente in rekening wordt gebracht. In die gevallen zal geen belastingrente in rekening worden gebracht als de aanslag conform de aangifte wordt vastgesteld.
  2. In de erfbelasting kan het voorkomen dat belastingrente in rekening wordt gebracht ondanks dat de aangifte tijdig wordt ingediend en de aanslag conform die aangifte wordt vastgesteld. Om dit te voorkomen wordt geen belastingrente in rekening gebracht indien een (voorlopige) aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig het ingediende verzoek of de ingediende aangifte.

In de vennootschapsbelasting is een aangifte gedaab tijdig als hij vóór de eerste dag van de zesde maand na afloop van het tijdvak waarop de aangifte ziet wordt ingediend. Momenteel is in de wet geregeld dat geen belastingrente in rekening wordt gebracht als de aangifte is ingediend voor de eerste dag van de vierde maand na afloop van het tijdvak waarover de belastingrente wordt geheven. Daardoor kan, ondanks dat tijdig en correct aangifte is gedaan (doorgaans voor 1 juni), belastingrente in rekening worden gebracht als de aangifte na 1 april wordt ingediend. Dit wil de staatssecretaris veranderen. De toezegging dat hij een voorstel daartoe in het Belastingplan 2019 zal opnemen heeft de staatssecretaris niet gedaan.

Te laat ingezette re-integratie tweede spoor

De werkgever is verplicht om het loon van een werknemer die wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet in staat is om zijn werk te verrichten door te betalen. Deze loondoorbetalingsverplichting geldt in eerste instantie voor maximaal 104 weken. Het UWV kan de werkgever echter bij wijze van sanctie een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting opleggen. Dat gebeurt wanneer er niet voldoende inspanningen zijn verricht om de werknemer te re-integreren in het arbeidsproces.

In eerste instantie is de re-integratie gericht op terugkeer van de werknemer in de eigen functie. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan wordt gekeken naar ander passend werk binnen het bedrijf. Is hervatting van werkzaamheden in de eigen functie of in passend ander werk binnen het bedrijf niet mogelijk, dan komen hervattingsmogelijkheden bij een andere werkgever aan de orde. Volgens het beoordelingskader van het UWV moet bij de zogenaamde eerstejaarsevaluatie keuzes worden gemaakt voor re-integratie in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.

Volgens de Centrale Raad van Beroep heeft het UWV terecht een loonsanctie opgelegd aan een werkgever die te lang vasthield aan re-integratie in de eigen functie van een arbeidsongeschikte werknemer. De bedrijfsarts had in de eerstejaarsevaluatie aangegeven dat er goede hoop was op volledige terugkeer in het eigen werk, maar geen zekerheid. Daarna verstreken enkele maanden voordat werd begonnen met re-integratie bij een andere werkgever. Volgens het UWV had dat eerder moeten gebeuren. De Centrale Raad van Beroep deelt die opvatting.

Geen boete op overtreding geheimhoudingsbeding vaststellingsovereenkomst

Zowel in arbeidsovereenkomsten als in andere overeenkomsten kan een geheimhoudingsbeding worden opgenomen. Een in de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding heeft vaak betrekking op een verbod op mededeling omtrent handelwijze of productiemethoden van de werkgever. In andere overeenkomsten, bijvoorbeeld in vaststellingsovereenkomsten bij de beëindiging van een dienstbetrekking, gaat het er meestal om dat geen mededeling wordt gedaan over de in dat kader gemaakte afspraken. Het geheimhoudingsbeding is een niet in de wet geregeld beding. Dat betekent ook dat het niet schriftelijk behoeft te worden overeengekomen.

In een procedure bij de kantonrechter was in geschil of de werkgever terecht bij de eindafrekening een boete had verrekend wegens een vermeende schending van het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding. De kantonrechter was van oordeel dat een werknemer die tegen een collega zegt dat hij in het kader van een afspraak met de werkgever tot het einde van zijn dienstverband zal blijven werken en geen vakantiedagen zal opnemen, een geheimhoudingsbeding in de vaststellingsovereenkomst niet heeft overtreden. Volgens de kantonrechter is dat pas het geval wanneer de werknemer een bedrijfsgeheim prijsgeeft of voor de onderneming essentiële gevoelige informatie met derden deelt. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet snel het geval als het gaat om de doorbetaling van loon tot het einde van het dienstverband en de uitbetaling van vakantiedagen bij het einde van de dienstbetrekking.

Opzegging voor aanvang dienstbetrekking

De vrijheid van arbeidskeuze is een belangrijk recht van de werknemer. In verband met deze fundamentele vrijheid geldt voor een werknemer geen andere opzegbelemmering dan het in acht nemen van een relatief korte opzegtermijn. De vraag in een procedure bij de kantonrechter was op welk moment de opzegtermijn gaat lopen.

De procedure bij de kantonrechter had betrekking op een opzegging van de arbeidsovereenkomst voordat deze was aangevangen. De werkgever meende dat de opzegtermijn pas gaat lopen op het moment van indiensttreding. De kantonrechter oordeelde anders, aangezien de wet niet uitdrukkelijk voorschrijft dat de opzegtermijn pas bij indiensttreding begint. De werknemer had ruim een maand voor de overeengekomen datum van indiensttreding schriftelijk laten weten van indiensttreding af te zien. De voor hem geldende opzegtermijn was een maand. Volgens de kantonrechter was van onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst geen sprake.

Ten overvloede merkte de kantonrechter op dat, indien ervan uitgegaan zou worden dat de opzegtermijn pas begint te lopen vanaf de dag van indiensttreding, het in dit geval niet redelijk zou zijn om de werknemer te houden aan een verplichting tot opzegging op de eerste dag van het nieuwe dienstverband en om hem te veroordelen tot betaling van een vergoeding. Door ruim voor de datum van indiensttreding op te zeggen heeft de werknemer de werkgever de kans geboden om tijdig een andere kandidaat te vinden. Dat is volgens de kantonrechter de ratio van de opzegtermijn voor de werknemer.

Buitenlandse btw terugvragen

Ondernemers, die in 2017 in een ander EU-land btw hebben betaald, kunnen deze btw terugvragen wanneer zij in dat land geen aangifte doen. Een verzoek om teruggaaf over 2017 moet vóór 1 oktober 2018 zijn ingediend. Dat kan via de website van de Belastingdienst: https://eubtw.belastingdienst.nl/netp/. Verzoeken die later binnenkomen worden mogelijk niet meer in behandeling genomen. Houd er rekening mee dat u voor een verzoek om teruggaaf inloggegevens nodig heeft. Wanneer het een eerste verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land betreft, moeten inloggegevens worden aangevraagd. Volgens de Belastingdienst kan het tot vier weken duren voordat de inloggegevens worden verstuurd.

Voorwaarden verzoek teruggaaf
U kunt btw terugvragen uit een EU-land als u aan een aantal voorwaarden voldoet:
• Uw onderneming is in Nederland gevestigd.
• Uw onderneming doet in het EU-land, waar de btw wordt teruggevraagd, geen aangifte voor de btw. Doet de onderneming in het buitenland wel aangifte, dan kan de btw daar als voorbelasting in aftrek worden gebracht.
• De btw heeft betrekking op goederen en diensten die voor met btw belaste bedrijfsactiviteiten worden gebruikt.

Verzoek om teruggaaf niet mogelijk
Een verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land is niet mogelijk in de volgende gevallen:
• U bent geen ondernemer voor de btw.
• Uw onderneming verricht uitsluitend vrijgestelde prestaties.
• U heeft een ontheffing van administratieve verplichtingen.
• U valt onder de landbouwregeling en voldoet niet aan de voorwaarden voor de teruggaafregeling van agrarische goederen.

Behandeling verzoek
De Belastingdienst van het EU-land waar de btw wordt teruggevraagd reageert binnen vier maanden bij beschikking op het verzoek om teruggaaf. Een verzoek wordt afgekeurd of geheel of gedeeltelijk goedgekeurd. Als het verzoek wordt goedgekeurd, volgt de betaling uiterlijk binnen tien werkdagen na afloop van de termijn van vier maanden.

Bijlagen bij verzoek
Afhankelijk van het EU-land waar btw wordt teruggevraagd moeten mogelijk facturen of invoerdocumenten worden meegestuurd. Op de website van de Belastingdienst is te vinden welke vereisten gelden per EU-land. Omvat een verzoek om teruggaaf een creditfactuur, dan moeten er mintekens voor het factuurbedrag en het btw-bedrag worden geplaatst zonder spatie tussen het minteken en het bedrag. Een creditfactuur die betrekking heeft op een factuur die in een eerder verzoek om teruggaaf is meegenomen moet aan het eerstvolgende verzoek om teruggaaf worden toegevoegd.

Bepaling hoofdverblijf

De rentelasten van een eigen woning zijn fiscaal aftrekbaar. Om als eigen woning voor de inkomstenbelasting te kwalificeren moet een woning aan de eigenaar en zijn gezin duurzaam als hoofdverblijf ter beschikking staan. Iemand kan in fiscale zin slechts één hoofdverblijf hebben. De plaats waar iemand woont, wordt aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald.

Een echtpaar had de beschikking over een huurwoning in de omgeving van hun werk en een koopwoning. Het echtpaar stond ingeschreven op het adres van de huurwoning. Permanente bewoning van de koopwoning was niet toegestaan. Het echtpaar wilde de koopwoning als eigen woning aanmerken. De belastingdienst accepteerde dat niet. Het echtpaar moest vervolgens aannemelijk maken dat de koopwoning hun als hoofdverblijf ter beschikking stond. Dat kwam erop neer dat aannemelijk moest worden gemaakt dat de koopwoning de centrale levensplaats van het echtpaar was. De centrale levensplaats wordt aan de hand van de omstandigheden bepaald.

Het hof vond doorslaggevend dat het echtpaar in de weekenden, doorgaans van vrijdagmiddag tot zondagavond, maar regelmatig tot maandag- of dinsdagochtend, tijdens feestdagen, schoolvakanties en overige vrije dagen in de koopwoning verbleef en zij daar hun verjaardagen vierden en visite ontvingen. De omstandigheid dat het echtpaar vanwege hun werkzaamheden in de omgeving van de huurwoning een deel van hun consumptieve uitgaven deed, vond het hof van minder belang. De koopwoning gold als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001.

Contante opnamen en betaling van privé-uitgaven aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden

Een stichting was 100% aandeelhouder van een bv. De bestuurder van de stichting liet de bv privé-uitgaven betalen en nam geld op van de bankrekening van de bv. Na een boekenonderzoek legde de Belastingdienst aan de bestuurder van de stichting een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op over het jaar 2014, waarin een bedrag van € 44.000 aan gebruikelijk loon was verwerkt. Eveneens naar aanleiding van het boekenonderzoek werd de aangifte inkomstenbelasting 2015 van de bestuurder gecorrigeerd. In dat jaar werden de contante opnames uit de bv en de door de bv betaalde privé-uitgaven aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.

De rechtbank vond aannemelijk dat de bestuurder de opgenomen bedragen en de betaalde privé-uitgaven aan de bv heeft onttrokken als vergoeding voor zijn werkzaamheden. Omdat geen sprake was van een (fictieve) dienstbetrekking en de bestuurder van de stichting geen dga van de bv was, kwalificeerde deze vergoeding niet als loon maar als resultaat uit overige werkzaamheden. Dat betekende dat in het jaar 2014 niet het bedrag van het gebruikelijk loon kon worden bijgeteld, maar slechts het bedrag aan opnamen van € 6.150. Voor 2015 had de Belastingdienst het juiste bedrag aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.

Voor beide jaren was aan de bestuurder een vergrijpboete opgelegd omdat sprake was van voorwaardelijke opzet door de inkomsten uit de bv niet aan te geven. De rechtbank vond een boete van 50% van de nagevorderde belasting en van de meer geheven belasting passend en geboden. Wegens overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de procedure tegen de boetes heeft de rechtbank de boetes met 10% verminderd.http://nl.informanagement.com/data/images/resized/12334_90_122_b0_10.jpg

Naheffingsaanslag tijdig opgelegd

De bevoegdheid om een naheffingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Een omzetbelastingschuld over 2010 is ontstaan op 31 december 2010. Dat betekent dat de bevoegdheid tot naheffing over het tijdvak 2010 op 1 januari 2016 is verlopen. Een op 28 december 2015 gedagtekend aanslagbiljet, waarmee een naheffingsaanslag over 2010 aan een ondernemer bekend is gemaakt, is dus tijdig opgelegd. De dagtekening van een aanslagbiljet geldt als de dag waarop de belastingaanslag is vastgesteld.

Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2014 volgt dat de dagtekening van een naheffingsaanslag niet beslissend is als de aanslag pas na de dagtekening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Een aanslag is op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt indien deze tijdig ter post is bezorgd. Bij bestrijding van de tijdige terpostbezorging dient de inspecteur aannemelijk te maken dat de aanslag wel tijdig ter post is bezorgd.

Zaakwaarneming in belastingprocedure

De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen zich in een procedure door een gemachtigde kunnen laten vertegenwoordigen. Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van de belangen van een ander, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

De vraag in een procedure was of iemand, die op basis van een machtiging voor een partij beroep heeft ingesteld, na het overlijden van die partij hoger beroep kan instellen voor de erfgenamen terwijl hij niet beschikt over een machtiging van de erfgenamen. Dat zou dan moeten gebeuren op grond van zaakwaarneming.
Voor het belastingrecht kon tot 1 januari 2007 volgens de destijds geldende wetgeving vertegenwoordiging plaatshebben met vergunning van de inspecteur. De wetsbepaling kwam erop neer dat de inspecteur zaakwaarneming kon toestaan als hij ervan overtuigd was dat het belang van de belastingplichtige daardoor werd gediend. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat de hiervoor bedoelde bepaling liet vervallen is opgemerkt dat bij de behoefte aan vertegenwoordiging zonder uitdrukkelijke volmacht van de vertegenwoordigde een beroep op zaakwaarneming kon worden gedaan.

Op basis hiervan concludeert de Hoge Raad dat in uitzonderlijke gevallen niet is uitgesloten dat een natuurlijk persoon in een bestuursrechtelijke procedure op grond van zaakwaarneming optreedt als vertegenwoordiger van een partij die handelingsbekwaam is of wordt vermoed te zijn. De zaakwaarnemer zal moeten stellen en aannemelijk maken dat de belanghebbende niet zelf in rechte kan optreden en redelijkerwijs geen vertegenwoordiger heeft kunnen aanwijzen. Indien wordt aanvaard dat een belanghebbende door een zaakwaarnemer wordt vertegenwoordigd, is die belanghebbende gebonden aan de uitspraak in de procedure.

De zaakwaarnemer voerde aan dat volgens het boedelregister enkele erfgenamen de nalatenschap niet hadden aanvaard en dat hem geen verdere erfgenamen bekend waren. Het hof droeg de inspecteur op om onderzoek te doen naar de erfgenamen. Volgens de inspecteur was de nalatenschap verworpen door de ex-vrouw van de erflater namens hun minderjarige kinderen, door de moeder en de zus van de erflater en door de zus van de erflater namens haar minderjarige zoon. In het boedelregister stond geen notaris vermeld die de boedel afhandelde. Niet duidelijk was of de Belastingdienst van de bevoegdheid om een onbeheerde nalatenschap ter afwikkeling bij het Rijksvastgoedbedrijf aan te melden gebruik zou maken. De Hoge Raad vond aannemelijk dat de zaakwaarnemer zich in dit geding op redelijke grond inliet met de behartiging van het belang van de onbekend gebleven erfgenamen.